Uw adres voor

Eerste Hulp Bij Ongevallen

Onze Organen

Een orgaan is een geheel van weefsels om een bepaalde functie te kunnen uitoefenen.

Het grootste menselijke orgaan is de huid. Het bedekt het hele lichaam en heeft tot doel het menselijk lichaam te beschermen tegen uitdroging, onderkoeling en agressie van buitenaf. Verder staat het in voor een deel van de ademhaling van de cellen en zorgt het voor de vorming van vitamine D onder invloed van zonlicht.

Een aantal organen samen vormen orgaansystemen (stelsels). Deze organen hebben elkaar nodig om een grotere functie te kunnen uitoefenen. Bijvoorbeeld: het spijsverteringsstelsel bestaat onder andere uit de slokdarm, de maag, de darmen, de lever en de alvleesklier.

Alvleesklier

De pancreas (Grieks kreas = vlees) of de alvleesklier (buikspeekselklier) is een klierachtig orgaan dat zich retroperitoneaal in de buikholte, gedeeltelijk achter de maag en het bovenste deel van de dunne darm (duodenum), bevindt. De alvleesklier komt eveneens achterlangs in contact met de linker nier en bijnier. Bij de volwassene is de pancreas 12 tot 15 cm. lang en weegt 70 tot 100 gram. Deze bestaat voornamelijk uit een caput (hoofd), een corpus (lichaam) en een cauda (staart) en is een gemengde klier met externe en interne secretie.

De functie van dit orgaan is dus dubbel, namelijk:

  • exocrien (extern): met vooral een productie en secretie van 1,5 Ó 3 liter spijsverteringsenzymen (namelijk trypsine, amylase, lipase en peptidase) die via de ductus pancreaticus (Wirsungi) afvloeien naar het duodenum.
  • endocrien (intern): met onder andere productie en afscheiding van insuline, glucagon en somatostatine die aan het bloed worden afgegeven.

Baarmoeder-Eierstokken

De baarmoeder (uterus) is het belangrijkste vrouwelijke orgaan voor de voortplanting van de meeste zoogdieren en de mens.

De belangrijkste functie van de baarmoeder is om een bevrucht embryo te laten innestelen. Het embryo groeit in de baarmoeder uit tot foetus en blijft er tot de geboorte van de baby of het jong.

Een eierstok of ovarium is het orgaan in de vrouw waar de eicellen zijn opgeslagen.

1.Eileider, 2.Blaas, 3.Schaambeen, 4.G-plek, 5.Clitoris, 6.Urinebuis, 7.Vagina, 8.Eierstok, 9.Dikke darm, 10.Baarmoeder, 11.Fornix Uteri, 12.Baarmoederhals, 13.Endeldarm, 14.Anus

Bijnieren

De bijnieren zijn kleine organen en liggen als kapjes op de nieren, ervan gescheiden door vetweefsel. De bijnieren bestaan uit twee lagen:

  • Bijnierschors (de buitenste laag)
  • Bijniermerg (het binnenste)

Beide lagen hebben verschillende functies, hieronder besproken.

Bijniermerg

Het bijniermerg produceert 2 hormonen: adrenaline en noradrenaline. Het bijniermerg wordt alleen ge´nnerveerd door het (ortho)sympathische deel van het autonome zenuwstelsel, niet door het parasympathische deel.

Bijnierschors

De bijnierschors produceert twee soorten corticostero´den: glucocortico´den en mineralocortico´den, respectievelijk een stresshormoon en een hormoon dat invloed heeft op de Na/K-huishouding. Ook produceert de bijnierschors geslachtshormonen (oestrogeen, progesteron, testosteron). Het zijn hele kleine concentraties, omdat deze normaal in de geslachtsorganen gemaakt worden.

Bijschildklieren en
Schildklieren

De bijschildklieren zijn kleine kliertjes ter grootte van een erwt en bevinden zich aan weerszijden van de schildklier aan de boven- Ŕn onderkant (in totaal dus vier klieren). Sommige mensen hebben echter een ander aantal bijschildklieren. Ze hebben afgezien van de ligging verder niets te maken met de schildklier.

De bijschildklieren produceren parathyro´dhormoon (PTH). PTH verhoogt de calciumspiegel in het bloed, onder meer door de activiteit van osteoclasten te vergroten. Ook wordt de calciumabsorptie in de nier verhoogd. Naast de calciumspiegel wordt ook de fosfor- en magnesiumhuishouding be´nvloed door PTH. Het parathyro´dhormoon heeft een antagonistische werking aan het calcitonine, geproduceerd door de schildklier zelf.

De schildklier of thyro´d is een (endocriene) klier gelegen aan de voorzijde van de hals, voor het strottenhoofd, tegen de luchtpijp aan. Het bestaat uit twee kwabben, opgebouwd uit follikels (blaasjes). Tussen de follikels van de schildklier liggen C-cellen. De schildklier wordt van bloed voorzien door vier slagaders en is hiermee het meest doorbloede orgaan van het menselijk lichaam.

1. Schildklier
2. Bijschildklier

Blaas

De urineblaas (Latijn: vesica urinaria) is bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren.

De urine komt de blaas binnen via de urineleiders en verlaat deze uiteindelijk via de urinebuis.

Blaas van een man :

1.Urineblaas, 2.Schaambeen, 3.Penis, 4.Zwellichaam, 5.Eikel, 6.Voorhuid, 7.Urinebuis, 8.Dikke darm, 9.Endeldarm, 10,Zaadblaas, 11.Zaadleider, 12.Prostaat, 13.Cowperse klier, 14.Anus, 15.Zaadleider, 16.Bijbal, 17,Teelbal, 18,Scrotum

Blaas van een vrouw :

1.Eileider, 2.Blaas, 3.Schaambeen, 4.G-plek, 5.Clitoris,
6.Urinebuis, 7.Vagina, 8.Eierstok, 9.Dikke darm.
10.Baarmoeder, 11.Fornix Uteri, 12.Baarmoederhals, 13.Endeldarm, 14.Anus

Slokdarm en
Maag-Darmstelsel

De slokdarm of oesofagus is een onderdeel van het spijsverteringsstelsel. Alle zoogdieren en veel andere dieren hebben een slokdarm. De slokdarm is dat gedeelte van het maagdarmkanaal tussen de mond of bek en de maag.

De slokdarm is ongeveer 25 centimeter lang, heeft een gemiddelde diameter van 2 centimeter en begint aan de bovenkant in de pharynx of keelholte om te eindigen aan de andere kant bij de maag. Er zijn twee belangrijke vernauwingen in de slokdarm. De eerste, de bovenste slokdarmsluitspier, ligt op 15 centimeter van de tandenrij. De tweede ligt net boven de overgang van de slokdarm in de maag, op het niveau van het middenrif en wordt de onderste slokdarmsluitspier genoemd. De belangrijkste functie van de onderste slokdarmsluitspier is het afsluiten van de onderkant van de slokdarm, zodat het terugstromen van maaginhoud naar de slokdarm (reflux) voorkomen wordt.

De slokdarm zelf is bekleed met meerlagig niet-verhoornend plaveiselepitheel. De overgang van slokdarm naar de maag wordt gemarkeerd door een verschil in type epitheelcel en wordt de oesophagogastric junction of Z-line genoemd.

Het maag-darmstelsel of digestieve systeem (la: tractus digestivus) is het systeem dat instaat voor de vertering en opname van voedingsstoffen voor het lichaam. Dit orgaansysteem is opgebouwd uit mond, pharynx, slokdarm, maag, darmen, alvleesklier, lever en galblaas.

Vertering

Vertering wordt gedaan door verschillende organen in je lichaam, waaronder de maag, de twee darmen, de lever, de alvleesklier. De meeste voedingsstoffen in onze voeding kunnen niet als zodanig in het lichaam worden opgenomen. Het spijsverteringsstelsel heeft dan ook de volgende taken:

  • Opname van voedsel
  • Mechanische verkleining van de voedselbrokken (kauwen en kneden)
  • Chemische verkleining onder invloed van enzymen (vertering)
  • Transport van de voedselbrij door het spijsverteringskanaal (slikken en peristaltiek)
  • Kneden en mengen van het voedsel (peristatltiek)
  • Overdracht van de voedingsstoffen aan het bloed (resorptie)
  • Uitscheiden van afvalstoffen door de lever in de darm
  • Afgeven van niet verteerde resten (ontlasting)

1.Slokdarm, 2.Maag, 3.Dunne darm, 4.Appendix,
5.Blinde darm, 6.Dikke darm, 7.Endeldarm, 8.Anus

Hart

Het hart is een holle spier die door geregeld samen te trekken bloed door het lichaam pompt. Een eenvoudig insectenhart bestaat uit een holle buis die af en toe samentrekt en een kleine hoeveelheid vloeistof in beweging houdt, min of meer in ÚÚn richting maar zonder gesloten vaatsysteem; een zoogdierhart is een zeer gespecialiseerd orgaan met vier afzonderlijke, door kleppen gescheiden kamers die samen twee pompen vormen die een in serie geschakelde maar verder gescheiden long- en een lichaamscirculatie op gang houden.

1.Rechter atrium (boezem), 2.Linker atrium,
3.Bovenste holle ader, 4.Aorta, 5.Longslagader, 6.Longader, 7.Mitralisklep, 8.Aortaklep, 9.Linker ventrikel (kamer), 10.Rechter ventrikel, 11.Onderste holle ader
12.Tricuspidaalklep, 13.Pulmonalisklep,

Hersenen

De hersenen (meervoud, een enkelvoud bestaat in het Nederlands niet), ook het brein of het encephalon (Grieks voor "in het hoofd"), zijn het waarnemende, aansturende, controlerende en informatieverwerkende orgaan in dieren. Er zijn drie groepen dieren met hersenen: alle gewervelden en van de ongewervelden de geleedpotigen (insecten, spinnen, kreeften) en de inktvissen. De overige ongewervelden hebben geen hersenen maar collecties van individuele ganglia. De hersenen bevinden zich over het algemeen in de kop van het dier.

De hersenen zijn een extreem complex orgaan; het menselijk brein is opgebouwd uit enkele tientallen miljarden neuronen (zenuwcellen) waarvan elk in verbinding staat met een groot aantal andere zenuwcellen, soms vele duizenden. De hersenen besturen en co÷rdineren sensorische systemen, beweging, gedrag en homeostatische lichaamsfuncties zoals ademhaling, bloeddruk en lichaamstemperatuur. De hersenen zijn de bron van beweging, geheugen en (bij hogere soorten) cognitie (bewustzijn) en emotie.

Huid

Huid of vel vormt de buitenste bekleding van het lichaam van mens en dier. Bij de mens wordt de huid beschreven als het grootste orgaan, omdat de gehele huid meer weegt dan elk van de andere interne organen. Bovendien bevat de huid, net als interne organen, verschillend gespecialiseerde cellen die samen een functie vervullen. Het is bovendien het enige orgaan dat zonder verdere ingrepen of hulpmiddelen van buitenaf bekeken kan worden. Waarnemen van de huid levert soms belangrijke informatie op over het al of niet goed functioneren van het lichaam als geheel.

De huid is opgebouwd uit een tweetal lagen die uit twee verschillende weefsels bestaan. De buitenste laag, de opperhuid of epidermis, bestaat uit een meerlagig epitheel. Daaronder ligt een laag collageen bindweefsel die de lederhuid of dermis wordt genoemd. Tezamen vormen deze lagen een effectieve bescherming van de er onder gelegen weefsels en organen tegen schadelijke invloeden van buitenaf, maar ook tegen uitdroging of excessieve wateropname.
De ondoordringbaarheid van de huid voor vele stoffen is voornamelijk te danken aan de hecht aaneensluitende cellen van de epidermis. Maar weinig stoffen kunnen in de laag van epitheelcellen doordringen. De buitenste laag van het epitheel bestaat uit dode, sterk afgeplatte cellen die een extra beschermende laag vormen. In de huid zijn verschillende structuren aanwezig, waaronder zweetklieren, zenuwuiteinden en haarzakjes. Onder de huid ligt de subcutis, een laag die bestaat uit bind- en vetweefsel.

1.hoornlaag, 2.epidermis 1+2=opperhuid
3.dermis (lederhuid), 4.subcutis

Lever

De lever (Latijn: hepar) is een belangrijk en veelzijdig orgaan bij gewervelde dieren en dus ook bij de mens. Het speelt een belangrijke rol in het metabolisme. In het menselijke lichaam is het beveiligd door de onderste ribben van de borstkas, rechtsboven in de buikholte. Met een gewicht van anderhalve kilo en 20% van het zuurstofverbruik is de lever, het meest actieve, na de huid het zwaarste en - na de hersenen - ook het meest veelzijdige orgaan.

Longen

Longen zijn organen waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme. Per minuut haalt een volwassen mens in rust ongeveer twaalf tot zestien keer adem. Per dag passeert zo'n 10.000 liter lucht onze luchtwegen, op weg naar de longen. In een gemiddeld mensenleven vullen de longen zich zo'n 500 miljoen keer.

1 = luchtpijp (trachea)
2 = rechter bronchus
3 = linker bronchus
4 = rechter long (pulmo dexter): bovenste (4a), middenste (4b) en onderste (4c) longlob
5 = linker long (pulmo sinister): bovenste (5a) en onderste (5b) longlob
6 = fissura obliqua
7 = fissura horizontalis
8 = arteria pulmonalis

Lymfeklier

Een lymfeklier of lymfeknoop is een orgaantje op het verloop van lymfevaten. Het bestaat uit vele lymfocyten die gerangschikt zitten in een kapsel. Via de hilus komen aanvoerende lymfevaten binnen en in de periferie vloeit de lymfe naar de afvoerende lymfvaten. De lymfocyten rangschikken zich in zones binnen de lymfeklier. De binnenkomende lymfe wordt langs een groot aantal lymfocyten geleid die zullen reageren als de lymfe stoffen of (vreemde) cellen bevat die het immuunsysteem prikkelen. De benaming lymfeklier is formeel onjuist aangezien lymfeknopen niets uitscheiden (excretie) zoals ander klieren.

Als er zich in het lichaam een infectie voordoet, zal de dichtstbijzijnde lymfeklier vaak ook geprikkeld worden en dus gezwollen raken.

In het lichaam zijn vele honderden lymfeklieren. Grote aantallen bevinden zich vooral in de hals en onder de kaak, in de oksels en in de liezen.

Veel mensen maken zich grote zorgen als ze bij zichzelf een vergrote lymfeklier waarnemen omdat ze denken aan lymfeklierkanker of uitzaaiingen van andere kanker. Dit is maar zelden terecht: in het dagelijks leven is 99.9% van de gezwollen lymfeklieren een gevolg van een infectie. Met name gezwollen lymfeklieren in de hals komen bij kinderen zo vaak voor dat het eerder vreemd is als er bij een kind, ook na goed zoeken, niet een is te vinden.

Adenitis is de algemene term voor een ontsteking van een lymfeklier.

LYMFEKLIER: Schematische afbeelding van een lymfeklier. Een lymfeklier heeft meestal vele aanvoerende vaten (D) en een, soms twee, afvoerende lymfevaten (C). Om terugstromen van de lymfe te voorkomen hebben deze talrijke kleppen (E). A. slagadertje; B. adertje.

Maag

De maag (la: ventriculus, gaster) is een orgaan in het lichaam dat dient om voedsel te verteren. Het heeft ook een belangrijke taak in het uitschakelen van micro-organismen.

Milt

De milt is een orgaan dat ook voorkomt bij gewervelde dieren. De milt is onderdeel van het lymfesysteem, maar anders dan lymfeklieren opgenomen in de bloedcirculatie. De milt kan worden gezien als de lymfeklier van het bloed. In de milt worden plasmacellen gevormd uit B-lymfocyten en worden rode bloedcellen afgebroken en het daarbij vrijkomende ijzer opgeslagen, maar de milt bevat ook een zeker reservoir aan bloed. Ook draagt de milt bij aan de verwijdering van afvalstoffen uit het bloed. De milt is niet noodzakelijk voor leven en kan operatief verwijderd worden (splenectomie). Wel is zonder milt de afweer tegen gekapselde bacteriŰn zoals de pneumokok, meningokok en de Hib (Haemophilus influenzae) slechter. Voor een splenectomie wordt dan indien mogelijk eerst hiertegen gevaccineerd.

Bij de mens bevindt de milt zich in de linker bovenhelft van de buik, onder het middenrif en achter de maag. Bij een normaal individu is de milt ongeveer 125 Î 75 Î 50 mm groot met een gewicht van 150 - 250g.

Bekend is is de zogenaamde milt-index die de grootte aangeeft van de (vergrote) milt bij kinderen die lijden aan malaria.

Steek in de zij

Het bekende verschijnsel van de "steek in de zij" bij overmatige fysieke inspanning is het gevolg van samentrekking van de milt bij zuurstoftekort om extra rode bloedcellen in de bloedbaan te brengen.

Een alternatieve uitleg over de "steek in de zij" gaat ervan uit dat de steek wordt veroorzaakt door ophoping van lucht in de darmen. Omdat de bocht van de dikke darm links hoger ligt dan rechts (waar zich de lever bevindt), zou de steek juist hier goed te voelen zijn.

Neus

De neus is een orgaan. Bij de meeste gewervelde dieren zit de neus centraal op het gezicht of aan het eind van de snuit. In een neus zitten bij de meeste dieren twee neusgaten. Ademhalen gebeurt voornamelijk door de neus. De neus heeft als functie de lucht te reinigen, te verwarmen en tevens dient de neus om te ruiken.

Nieren

De nieren (Lat. renes) zijn bij zoogdieren, waaronder de mens, twee organen die gelegen zijn in de buikholte achter het buikvlies (peritoneum) links en rechts van de ruggengraat. De nieren zuiveren het bloed van daarin opgeloste ongewenste stoffen, vooral afvalstoffen van de stofwisseling en via het voedsel opgenomen vergiften en geneesmiddelen. Dit gebeurt deels passief en deels actief. De nier zorgt ook voor het handhaven van het zuur-base evenwicht op langere termijn van het lichaam door het transport van bicarbonaat en waterstofionen. Het product dat de nieren hierbij maken, een oplossing van stoffen die het lichaam niet meer kan gebruiken, heet urine.

Bij de mens zijn de nieren enigszins boonvormig, met de holle kant naar het midden wijzend. Menselijke nieren zijn 10-13 cm lang, 5 cm dik en wegen ieder ca. 150 gram.

Oog

Het menselijk oog is een waarnemingsorgaan (zintuig) dat gebruik maakt van licht om een beeld door te geven naar de hersenen.

Het oog bestaat uit het eigenlijke oog, de oogbol, en de omliggende structuren of adnexen (oogspieren, oogleden, traanklieren, traanbuisjes, traanpunten.) De oogbol bestaat (van voor naar achteren) uit een tamelijk harde witte schil, de sclera of harde oogrok. Hierin is een helder gedeelte opgenomen, de cornea (het hoornvlies). De cornea is aan de buitenkant met cornea-epitheel bekleed en de sclera met het bindvlies of conjunctiva dat ook overgaat in de bekleding van de binnenkant van de oogleden - hierdoor kan een contactlens niet achter het oog terechtkomen. Achter de cornea bevindt zich de iris (het regenboogvlies) die de scheiding vormt tussen de voorste en de achterste oogkamer, die met dun waterig vocht zijn gevuld. Achter de iris is de lens opgehangen. Achter de lens bevindt zich een gelei-achtig lichaam, het corpus vitreum, het glasvocht of glasachtig lichaam. Achter het glasvocht ligt de retina of het netvlies.

Het oog heeft een gemiddelde doorsnee van ongeveer 2,5 cm en weegt gemiddeld ongeveer 7,5 gram. De oogrok van een oog heeft een gemiddeld oppervlak van ongeveer 17 vierkante cm.

A - wenkbrauw
B - bovenooglid
C - onderooglid
D - pupil
E - regenboogvlies (iris)
F - oogwit (sclera)
G - traanafvoerpunten met daartussen het tranenmeer
H - rand van hoornvlies (cornea) (doorzichtige gedeelte)
I - wimpers
J - mediale ooghoek
K - laterale ooghoek

Oor

Met het oor (medische naam: auris) wordt geluid waargenomen. Met dit zintuig kan men horen. Het binnenoor speelt ook een rol bij ons evenwichtsgevoel. In het utriculum van het binnenoor zitten oorsteentjes van kalkzout calciumcarbonaat (statoliet), die in een gelatineuze massa op zintuigharen rusten. Buiging van de zintuigharen informeert de hersenen over evenwicht en positie.

Het oor wordt onderverdeeld in drie delen:

  • het buitenoor, bestaande uit de oorschelp en de gehoorgang;
  • het middenoor met de drie gehoorbeentjes: hamer , aambeeld en stijgbeugel;
  • het binnenoor, bestaande uit het slakkenhuis en het labyrinth met daaraan vast de gehoor- en evenwichtszenuw.

Het middenoor en het binnenoor zijn omgeven door het rotsbeen.

Het buitenoor staat in direct contact met de buitenlucht, en gaat over in de gehoorgang. Het einde van de gehoorgang wordt gevormd door het trommelvlies, dat de scheiding vormt tussen buitenoor en middenoor. De gehoorschelp trilt mee met de geluidsgolven die opgevangen worden vanuit verschillende richtingen, waardoor het geluid gemoduleerd wordt. De gehoorgang zorgt voor resonantie van geluid rond 4000 hertz. Dit geluid komt daardoor versterkt aan bij het trommelvlies. Rondom deze 4000 Hz zijn de meeste menselijke/dierlijke geluiden waar te nemen.

Het middenoor staat via de buis van Eustachius in verbinding met onze keel. Dit zorgt er voor dat de luchtdruk in het middenoor gelijk blijft met de atmosfeer. Te harde geluiden en geluiden die de mens zelf produceert worden gedempt door dit principe.

Het slakkenhuis (cochlea) is gevuld met vloeistof. In deze vloeistof bevinden zich op het basilair membraan trilhaartjes voor het waarnemen van geluid. De hoogste tonen worden geregistreerd aan het begin van het slakkenhuis (cochlear base), iets na het ovale venster, waar de gehoorbeentjes druk op uitoefenen. De lagere tonen worden aan het eind van het slakkenhuis waargenomen (apex). In het labyrinth met de drie half-cirkelvormige kanalen bevinden zich kleine kiezeltjes en staafjes die bewegingen kunnen registreren en zo van belang zijn voor het evenwicht.

Doordat de mens twee oren heeft kan hij richtinghoren. De sterkte van het waargenomen geluid is niet in beide oren gelijk en niet ieder geluid bereikt beide oren tegelijk. Doordat de hersenen de verschillende signalen van beide oren combineren, is een conclusie te trekken over de positie van de geluidsbron ten opzichte van de waarnemer. Hierbij is het principe vergelijkbaar met diepte zien met behulp van twee ogen.

Anatomie van het menselijk oor

1 - Schedel

Buitenoor: 2 - gehoorgang, 3 - oorschelp

Middenoor: 4 - trommelvlies, 5 - ovaal venster, 6 - hamer, 7 - aambeeld, 8 - stijgbeugel, 12 - buis van Eustachius

Binnenoor: 9 - labyrinth, 10 - slakkenhuis, 11 - gehoorzenuw

Penis - Prostaat -
Teelbal

De penis (mv. penissen) of fallus is het mannelijke orgaan gebruikt voor de geslachtsgemeenschap, en bij zoogdieren ook het mannelijke orgaan dat wordt gebruikt om urine te lozen. De penis is homoloog met de clitoris bij de vrouw; hij ontstaat uit dezelfde embryonale structuur. In sommige gevallen kan er iets fout gaan bij dit process. Men spreekt dan van interseksualiteit. De penis vormt tezamen met de testes (17) de externe seksuele organen van de man.

Zoals bij alle woorden die met seksualiteit te maken hebben zijn er in de taal vele synoniemen voor penis.

De prostaat is een klier die onder de blaas zit bij de man. Deze klier produceert een aantal hulpstoffen die aan het sperma worden toegevoegd. De prostaat voorkomt dat er sperma in de blaas kan stromen. Een andere naam voor de prostaat is voorstanderklier.

Teelbal of testis (meervoud testes) is de naam voor de gonade van mannelijke exemplaren van een soort met seksuele reproductie. In de testes worden gameten gemaakt, cellen met de helft van het aantal chromosomen van een normale lichaamscel, die in het geval van een mannelijke gameet zaadcellen worden genoemd. Bij versmelting van een zaadcel met een eicel (vrouwelijke gameet) die eveneens de helft van een compleet aantal chromosomen bezit ontstaat een nieuw individu met een complete set chromosomen. De vorming van zaadcellen (en eicellen) vindt plaats door het proces van meiose of reductiedeling.

1.Urineblaas, 2.Schaambeen, 3.Penis, 4.Zwellichaam, 5.Eikel, 6.Voorhuid, 7.Urinebuis, 8.Dikke darm, 9.Endeldarm, 10,Zaadblaas, 11.Zaadleider, 12.Prostaat, 13.Cowperse klier, 14.Anus, 15.Zaadleider, 16.Bijbal, 17,Teelbal, 18,Scrotum

Spieren

Spieren zijn weefselstructuren van cellen, die beweging mogelijk maken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen dwarsgestreept en glad spierweefsel:

  • dwarsgestreept spierweefsel: Spier bestaande uit lange, veelkernige spiervezels (zo genoemd vanwege hun uiterlijk onder de microscoop) staan onder willekeurige controle en verbinden doorgaans botten met elkaar (skeletspieren);
  • glad spierweefsel: staat niet onder willekeurige controle en is bijvoorbeeld te vinden in het maag-darmstelsel, bloedvaten, luchtwegen, voortplantingsorganen.

De hartspier is een bijzonder geval, omdat deze uit dwarsgestreept weefsel bestaat en toch niet onder bewuste controle staat.

De oogspieren zijn nodig voor het bewegen van het oog.

Vagina

De vagina of schede of kut is de benaming voor het inwendige deel van het geslachtsorgaan dat bij vrouwelijke dieren (waaronder de mens) de baarmoeder met de buitenkant van het lichaam verbindt. Het uitwendige deel wordt vulva genoemd.

1.Eileider, 2.Blaas, 3.Schaambeen, 4.G-plek, 5.Clitoris,
6.Urinebuis, 7.Vagina, 8.Eierstok, 9.Dikke darm.
10.Baarmoeder, 11.Fornix Uteri, 12.Baarmoederhals, 13.Endeldarm, 14.Anus

Thymus

De thymus of zwezerik is een orgaan dat bij kinderen en jonge zoogdieren te vinden is tussen het borstbeen (sternum) en de luchtpijp (trachea) in het bovenste mediastinum.

Lange tijd heeft men gedacht dat de thymus een (vrijwel) nutteloos orgaan is. Pas sinds men is gaan experimenteren met het verwijderen van de thymus (=thymectomie) heeft men een idee van de functie van de thymus gekregen.

Als de thymus bij jonge dieren verwijderd wordt treden bij deze dieren daarna de volgende symptomen op:

  • gewichtverlies
  • te langzame groei
  • algemene achteruitgang in de gezondheidtoestand
  • veel infecties, met name ten gevolge van intracellulaire micro-organismen
  • verminderde afstoting van - eventuele- transplantaten

Deze verschijnselen treden niet op als de thymectomie wordt uitgevoerd bij oudere dieren. De verschijnselen kunnen worden voorkomen of teruggedraaid door na de thymectomie een stukje thymusweefsel terug in het lichaam te plaatsen.

Bij een (mensen)baby waarbij tijdens de embryonale ontwikkeling geen thymus was ontstaan werden de volgende verschijnselen waargenomen:

  • veel infecties
  • geen vergroting van secundaire lymfo´de organen (o.a. milt en lever) tijdens infecties; de plaatsen waar zich normaal T-lymfocyten bevinden waren leeg
  • iets verlaagde antilichamenconcentratie in de lichaamsvloeistoffen
  • geen T-lymfocyten in het bloed

Deze en andere waarnemingen die men tijdens deze experimenten heeft verkregen hebben geleid tot het formuleren van de volgende thymusfuncties:

  • de thymus zorgt voor de ontwikkeling van lymfocyten tot T-lymfocyten, die gevoelig zijn voor een bepaald antigeen.
  • de thymus zorgt voor de eliminatie van T-lymfocyten die op lichaamseigen epitopen passen (= autoreactieve klonen)
  • de thymus produceert hormonen ( o.a. thymosine) die delen van het immuunsysteem stimuleren

De thymus en/of thymosine is nodig bij het eerste contact van het lichaam met een antigeen de T-cel-respons op gang te brengen. In de eerste levensjaren "ontmoet" de mens bijna alle antigenen die een cellulaire immuunrespons kunnen opwekken. Later wordt het aantal nieuwe "ontmoetingen" dus steeds kleiner, waaroor de thymus minder te doen heeft, en langzaam degenereert.

     
  TERUG NAAR MENU